Die vrijdag in het wassalon

Het was een doorsnee vrijdagochtend in het wassalon. Het is vroeg wanneer mijn moeder de was gaat drogen. Samen met haar nog een andere, iets oudere vrouw. Tijdens het uitladen valt een handschoen uit haar droogtrommel. Ze vloekt. Mijn moeder kijkt om, misschien kan ze helpen.

“Wad-ist?” Krijgt ze toegesnauwd.

Mijn moeder zwijgt. De vrouw zal geen goede dag hebben, denkt ze.
Mijn moeder hoest. De vrouw kijkt haar kwaad aan.

“Je moet hier niet hoesten! Het is door jullie microben dat wij hier ziek worden!”

De vrouw wordt nog kwader en begint te razen over haar verkoudheid en allerlei andere ziektes. Mijn moeder blijft zwijgen. Ze weet wat komen gaat en beslist daar niet in mee te gaan. Het is de tweeënveertig jaar dat ze hier woont niet waard. Haar hart wordt geraakt maar haar wapen is humor.

“Mevrouw ik niet spreken nederlands, ik niets begrijpen.” Zegt ze zo hakkelend mogelijk.

De vrouw trekt grote ogen en er volgt een spervuur van vragen.

“Hoe? Je moet de taal toch leren!! Hoelang ben je hier al?”

“Ik gisteren hier komen.”

De ogen van de vrouw worden nog groter.

“Hoezo gisteren? Het stopt maar niet, ik zei het nog, ze blijven komen, ’t zit hier vol! Ze blijven komen!”

De vrouw jammert en gooit haar handen een aantal keer in de lucht. Ze schudt met haar hoofd, gaat zitten terwijl ze nog enkele giftige opmerkingen mijn moeder’s kant uit gooit. Ze neemt haar krant en zegt:

“Het is door jullie dat ik elke dag de gazet moet lezen!”

Ze mompelt nog wat racistische opmerkingen maar het wordt alweer stil. Die migrant zal dat toch niet begrijpen, denkt ze.

Enkele minuten later komen drie tienermeisjes van diverse afkomst met twee jongere broertjes in het kielzog het wassalon binnen. Druk pratend en lachend schuilen ze voor de kou tot de schoolpoort aan de overkant opengaat. Mijn moeder voegt zich bij hen, ver uit het zicht van vrouw en fluistert hen toe dat ze zich niets moeten aantrekken van die slechtgezinde vrouw als ze hen zou aanspreken. Ze vat de voorbije minuten samen en één van de meisjes begint op haar beurt te vertellen over een soortgelijk racistisch incident dat haar is overkomen. De anderen vallen bij en op korte tijd weeft herkenning een draad van verbinding. De schoolbel nadert en mijn moeder vraagt of ze nog snel een spel willen meespelen.

“Jullie zijn nu even mijn kinderen, kom zo meteen naar me toe wanneer ik de was aan het opvouwen ben.”

De meisjes en de kleine jongens staan te springen om hun rol te vervullen. De vrouw die ondertussen mopperend haar was opplooit, keek verbaasd op toen ze de 5 kinderstemmen richting mijn moeder hoorde komen.

“Mama! Mama! Mama!” Klonk het langs alle kanten.

Mijn moeder leidt hen met wat brabbelende woorden terug naar de stoelen. Haar kinderen hebben haar gevonden. De vrouw valt stil. Haar mond valt open en vol afgrijzen kijkt ze van mijn moeder naar de kinderen. En van de kinderen terug naar de vrouw, die hier nog maar sinds gisteren is.

“Haar ogen waren nog nooit zo groot geweest.” Zei mijn moeder achteraf.

Ze laadt haar was in, neemt afscheid van de meisjes en hun broertjes, zegt hen dat ze zich nooit mogen laten doen en dat ze vooral moeten blijven lachen.

Ze proesten het uit.

Racisme is relatief

Er zijn bv’s die beweren dat racisme in Vlaanderen onbestaand is omdat zij naar een Turks stamcafé gaan. Er zijn politici die beweren dat gemiste kansen illusies zijn en tweederangsburgers implementeren. Er zijn mijnwerkersdochters die aangewezen worden als minister en daarmee het perfecte voorbeeld zijn van integratie. En vooral: van individuele verantwoordelijkheid. En er zijn mensen als mijn moeder en de vrouw in het wassalon. Op een doorsnee vrijdagochtend. Het verhaal is triest en kwam moeizaam uit mijn vingers. Een misselijke machteloosheid tierde door mijn lichaam. De tranen die een moeder inslikt roesten zich vast rond rauwe randen van een ongenezen wond. Want dat is wat moeders doen: 90 % van de nare ervaringen inslikken om kinderen te sparen. 10 % wordt verteld, ingepakt met een dosis humor. Want ze weet hoe de ziekte zich manifesteert en hoopt dat haar kinderen niet geïnfecteerd raken. Wat zij niet weet is dat wij alles weten. Dat de ziekte zich niet meer beperkt tot “haar microben” in de wasserij. Er zijn andere microben die zich over de jaren heen in razend tempo in Vlaamse bodem hebben vastgezet. De kiemende zaadjes zijn ondertussen gegroeid tot de hoogste top in onze maatschappij. Als kind ging ik op de toppen van mijn tenen staan en wees hoog in de lucht wanneer mijn broer me vroeg wat ik later wilde worden. Nu blijf ik met beiden voeten stevig op de grond. Ik koester mijn idealisme maar klamp me niet meer vast aan een droombeeld.

Ik bevind me in een luxepositie. Ik heb de woorden en probeer de razende onrust binnenin om te zetten in begrijpbare taal die ik neerschrijf en kan delen. Mijn moeder bezit een bewonderenswaardige dosis geduld en relativeringsvermogen. Er zijn talloze mensen die samen met mij deze verhalen horen of zelf meemaken en niet allemaal een juiste uitingsvorm hebben. Als machteloosheid onder je huid kruipt en zich vormt tot één brok verdriet, wordt woede ergens in een hoekje van je ziel gevoed. Als die woede niet gehoord wordt, niet erkend wordt, barst er iets. Een ruit, een deur of een wasmachine. En meestal haalt dat de media. Maar ook eigenwaarde, een hart, een ziel. En daarmee onze samenleving.

Aan de vrouw in de wasserij zou ik willen zeggen om de ziekte niet te blijven voeden, maar ze mee te bestrijden. We hebben zoveel te winnen. We doen het voor alle moeders en vaders die ons hier een leven hebben geschonken. We doen het vandaag voor onszelf en de toekomst van morgen.

Wanneer ik straks mijn laptop sluit zal mijn blik zich naar buiten keren. Met een vaag onbestemd verlangen zal ik door de straten wandelen. Ik zal de weg nemen die leidt naar de muur waarop ik jaren geleden een onverwoestbare waarheid las. Elke keer ik er passeer, sta ik stil en zie ik voor me het beeld van een kind dat op de toppen van haar tenen staat, armen hoog in de lucht. Ze glimlacht en ademt in.

“De stad ademt in wat wij uitademen. Laat het in hemelsnaam liefde zijn.” (I. Calvino)

Ik adem uit en vervolg mijn weg. Even geniet ik intens van het gevoel dat dat alles wel eens heel eenvoudig zou kunnen zijn.

Advertenties

Deporteerbaar

Hier zijn ze dan
de kinderen van
de kinderen van
hun kinderen

Bij grootvader
op schoot
zij, zij aan zij
in rij, vlees gekeurd
afgestempeld, heen
vervoerd

Daar staan ze dan
biddend om levend
terug boven te komen
tijdens het afdalen
in het diepe
donker van de mijnen

Steenkool wacht
niet, boten varen
weg, de tijd knaagt
net als uw geweten

Laad en los
de dozen en
laat los
uw gemis en
uw bergen
daar hebben
wij geen
boodschap aan

Houd dromen groot
en zwijg je rug kapot
Oui chef, no chef
Tout va bien chef

Hier zijn ze dan
de kinderen van
de kinderen van
hun kinderen

En zij, zij aan zij

Vlees gekeurd
Afgestempeld
Afgevoerd

Vanaf heden deporteerbaar.

Arm zijn is een dure erfenis

Stop de wereld, ik wil eraf. Elk nieuws is slecht nieuws. Elk standpunt een woordenstrijd, elk debat een gevecht. De stroom sleurt me mee en stort me in een zee vol schokken en schudden waar ik dobber en draai tot ik haast verdrink. Ik hap naar adem.

Ik loop de trap af, de gang door, de deur uit, de straat op, de tram in. Ik zit en ik kijk. Golven van onrust slaan en schoppen tegen de wanden van mijn niet – begrijpen. Ik wil weg maar ik blijf. Ik schrijf.

Ik ben zonder komma’s en punten zonder regel en remming ik ben bang dat ik stop als ik stop voor de regel de remming de regen de grond de stenen de stilte in spreken hoe breed de schouders en slapen snakken en schreeuwen naar vrede en vrede de leegte in ogen gebogen forcerend bestaan om verslagen te vullen de cijfers te blijven te vragen te graven te veel te geven te willen als iedereen zo gewoon te leven waar ik opsta vullen de harten de longen de huizen waar ik woon in een stad in een wijk in een straat zuurstofarm in arm.

Niet langer zuurstofrijk. Achtendertig microgram stikstofdioxide per kubieke meter in mijn stad, mooie stad. Ik gooi mijn blik door het raam, het venster op de wereld. Misschien stralen de straten zo wat meer.

Halte Kielpark. Het is spitsuur. Scholen en kantoren lopen leeg, trammen lopen vol. Op zulke momenten neem ik mijn tram het liefst. Het is een ritme, een melodie waarbij ik graag de ogen sluit. Als ik ze weer open, zie ik beelden die ik opsla in cursief en bewaar in mijn binnenzak. Mijn stadscoupletten.


“Vier op de tien Brusselse kinderen worden geboren in armoede.”


kopt een krantentitel naast me. Ik slik. Deze is niet voor de binnenzak. Willen of niet, er ontspint zich een gedachtenstroom die ik geen halt kan toeroepen. De deur uitgaan is niet hetzelfde als je hoofd uitgaan. Geef mij die blauwe trambel maar.


Laat me schrijvend de stilte aan flarden scheuren.

“Maar liefst drie vierde van die alleenstaande moeders leeft onder de armoederisicogrens.”

Het is een kou die sluipend en schreeuwend in onze kleren kruipt. Het is een kind van tien, dat zich mentaal sterk probeert te denken wanneer haar handen verkleumd en de voeten als ijsklompen onbeweeglijk op de speelplaats staan. Het is de bel die als verlossing een kinderhart doet zingen. Alleen maar voor de warmte. Om terug normaal te kunnen doen. Het is het kind dat niet meekan op schooluitstap, niet mee mag doen aan de leuke opdrachten achteraf en niet uitgenodigd wordt op verjaardagsfeestjes. Het is het kind met een in het rood geschreven nota in de schoolagenda omdat de schoolrekeningen niet betaald worden. Het ijverige kind dat toch niet zo ijverig bleek omdat de juf zo boos leek wanneer ze ostentatief en met lange uithalen de zinnen neerpende. Het is de schaamte, daar vanvoor in de klas, elke ochtend voor de les begon. Pennen werden krassen en met woorden kon je ruziemaken. Via een schoolagenda van een kind van tien.

Halte Station Zuid. Een jongen rent om zijn tram aan de overkant nog te kunnen halen. Ik volg hem met mijn blik en bereken zijn slaagkansen. Hij rent snel en zijn rugzak hangt over beide schouders. Schoenen: perfect. Ik supporter. Vier, drie, twee, één. Hij is binnen.

Ik ook. Ik ben binnen sinds de tramsporen tussen thuis en school, van zuid naar noord, mij de weg hebben getoond naar een andere krantenkop. Het artikel over slaagkansen van jongeren die in armoede opgroeien. De straten, de stenen waarop ik stampte wanneer de zomerzon zwart kleurde van herexamens. Het waren de eerste echte vrienden zonder oordeel over de rode gekraste pennen in agenda’s, op muren van de ziel. Na jaren van dolen, volgen van scholen en dan weer verlaten, van diploma’s te halen om eindelijk die tram, mijn tram te kunnen kiezen.

Halte rooseveltplaats. Een oude man aan de halte draait zich om wanneer mijn tram arriveert. Hij probeert zich een houding te geven. Ogen zijn als handen, scheuren stoffen van zijn lijf en laten hem naakt achter. Het is het wachten op bussen, ze overslaan en opnieuw beginnen. Houvast zoeken, scherpe bochten, toch weer vallen, strepen trekken. Halve zoenen, afscheid nemen. Deuren openen, ze weer sluiten. kieren zoeken, kinderen troosten. Het is de heimwee, de hunkering, de warmte voor de schoolbel. Fouten maken om te begrijpen. Het is het hemelsblauw doorheen de wolken zien.

Halte diamant, Centraal Station. Het is het oogcontact met een dakloze vrouw. Ik slik weer. De uitgerafelde trui – die even gezellig als thuis had moeten zijn – heeft ze binnenstebuiten aangetrokken. De loshangende draadjes verraden het zenuwachtig gefriemel van doelloze minuten die leeg en aangevreten staan te bedelen om een nieuwe dag.

Kon ik maar net als planten enkel met water en licht. Dan zou ik niet steeds opnieuw moeten leren hoe te ademen. Armoede loopt van mijn ervaring als hulpverlener, via een observatie in het metrostation tot bij mijn vader. Hij groeide op als wees en werkte elke dag nog net de dood van zijn gezicht. Arm zijn is een dure erfenis.

Haar ogen zagen mijn ogen. Ze lacht, ik lach terug. Hier wil ik uitstappen, hier wil ik zijn.

Hier wil ik zeggen dat we samen het hemelsblauw doorheen de wolken kunnen zien. Daarna zal ik haar vertellen hoe woorden soms kunnen helen. En hoe mooi ik ze in Godenslaap las.

Ik zal dan haar verkleumde handen in de mijne nemen, ver weg van de waan van de dag, zal ik mijn binnenzak openmaken en haar vingers langs mijn stadscoupletten laten gaan. Ik hou haar hand halt en lees:

‘Nooit gedacht dat zeer een zegen kon zijn, mijn kleine gazelle. De anderen, die zogezegd niets mankeren, dat zijn de echte sukkels. Die krijgen de bommen nooit uit hun lijf.’

 

Zuurstofarm in arm

Ik ben een nummer in een dossier op een bureau in een praktijk van een dokter in een ziekenhuis in een stad in een huis in een straat in een wijk waar een wijkagent komt kijken of ik besta voor ik besta in die straat in die wijk van die stad ben ik blind ben ik doof gevoelloos passief te veel te vaak te luid expressief te stil te groot voor mijn klein te hoog gegrepen te hard gevallen omgeslagen

ik ben de zoveelste en ook niet de laatste één van de jongste en daarom zo jammer zo jammer zo raar niet normaal sinds wanneer wat te maren niet meer thuis noem de naam koop de pillen ga op reis mediteer raak je zeer ga terug hoe langer hoe meer zesentwintig zonder licht niet meer ons zuurstofrijk alleen jij als een nummer in een dossier aan een bureau als verplicht herhalend herhalen vandenhoe en hoe breed hoe schouders en slapen snakken en schreeuwen naar vrede en vrede

ik ben zonder komma’s en punten zonder regel en remming ik ben bang dat ik stop als ik stop voor de regel de remming de regen de grond de stenen de stilte in spreken de handen de ogen de leegte gebogen forcerend bestaan om verslagen te vullen de cijfers te blijven te vragen te graven te veel te geven te willen als iedereen zo gewoon te leven waar ik opsta vullen de harten de longen de huizen waar ik woon in een stad in een wijk in een straat zuurstofarm in arm.

Migrant

Altijd onderweg
met driehonderdduizend
negenentwintig en een halve
tussenstap pendel je van
land naar land met enkel
thuis in je hart

men zegt wel eens
dat thuis is daar waar
je hart ligt, maar
is jouw ziel ooit
thuis geweest
hebben jouw voeten
de grond geraakt
de aarde gevoeld
het veld verkend

soms word ik wakker
in een slagveld
van dromen zonder doel
en tranen van bloed
die het tafellaken kleuren

hoe uitgestorven
en verlaten het dorp
ook moet zijn geweest
jouw ogen zwijgen
zoveel meer dan het
dragen onderweg.

Kleur

Beeld u in:
een zwembad
meters diep
en eindeloze vlakte waanzin

Beeld u in:
een flatgebouw
meters hoog
en eindeloze vlakte waanzin
een vermenging
van kleuren en karakters
van buren en verdiepen
van Valerie en Mostafa

Kijk opzij
uw buurman
uw buurvrouw
en onverenigbaar
de zwijgzaamheid
hun kinderen, uw kinderen
zij lachen, zij spelen
zij delen, zij zijn vrij
niet als wij
ingekaderd in hokjes
ergens onderweg
door mensen
die vergaten
dat wij allen
sterfelijk zijn

Hun ogen zien
zonder zorgen
hun zinnen
zingen zonzinnig
vandaag. Hun spelen,
hun dieren, hun huizen
en hun tuinen
hun planten en hun bloemen
hun voelen en hun uiten

Hun vaders
hun moeders
hun geld, hun werk
hun wrok en hun haat
hun ego’s en angsten
hun leegte en liefde

Het gevecht tegen haat
voor onze kinderen
die morgen
de wereld van vandaag
moeten dragen
met hun eindeloze
vlakte onschuld
en kleine ogen
die geen grote
dingen vragen.

(“De stad ademt in wat wij uitademen, laat het in hemelsnaam liefde zijn.” I. Calvino)

Treingedachten (1)

De wolken
vormen een vraagteken
van niet – begrijpen
ligt het aan mij
of lijkt de horizon
voor jou ook zo ver
van hier vandaan

windmolens staan alleen
alsof ze in de verte
naar elkaar wuiven
als een kleine jongen
op het speelterrein
van sluwe slangen
proberend om een
vriendje te maken

een oude man op het perron
draait zich om wanneer een
trein arriveert, hij probeert
zichzelf een houding te geven
ogen zijn als handen
scheuren stoffen
van zijn lijf
en laten hem
naakt achter

huizen onderscheiden
zich niet. Ze leunen
lompledig naar elkaar toe
alsof ze zonodig willen zeggen

dat dat vraagteken
geen punt heeft
dat dat reizen
geen reden heeft
enkel heen
nooit terug

dat dat helemaal
niet erg is, dat dat
doelloos ronddolen is
met ogen dicht
om dan te kunnen
zien wat je raken kan