Tred

Ter plaatse, omdat wat
zwaar niet te dragen
valt, omdat spieren
schouders spanning
tot staal gemaakt
omdat kil koud
strak enkel
enkel enkel
raakt

Ter plaatse, kousenvoeten
omdat omhoog omlaag
de aarde raakt
rug recht

Licht uit.

Advertenties

Zwenk

Ik krijg de knopen
niet uit mijn haren
tel de groeven
in je voorhoofd wanneer
je weer diezelfde vraag stelt

dat ik een paar keer per dag
weg ben; weet ik veel waarheen
je vangt mijn blik niet.
Lees de lijnen in mijn hand
maar krijg mij niet ontward

Kon ik maar, net als planten
enkel met water en licht
dan zou ik niet steeds opnieuw
moeten leren hoe te ademen.

Kruimels

Hier,
de pen die ik
in der haast
meenam na
’s ochtends koffie
en koeken te hebben
gedeeld en gelachen
om mijn wanordelijk
gemors op jouw dons.

Hier,
of toch even niet
wil nog dat
ze schrijft hoe
zomertijd zonder
wijzers en wij
met kruimels
complexloos waren.

Omhoog

Zou je zien hoe ik nu op daken
en jij toen in mijnen afdaalde
dit land omarmde als een
tussenstopthuis

nu je ziel te rusten ligt
diep in de Atlas, Antwerpse
straten jouw passen missen,
beklim ik nog steeds daken,
ontgin dromen, schep nieuwe hoop
als steenkool en stuur ze omhoog.

Het daglicht in.

Ontvouwen

Je opent je ogen. Dit is het tweede deel van de slaap. Een nieuw seizoen dringt je kamer binnen, zet zich als stil verzet op de drempel van de dag. Je stem maakt kringen in de dampen van de eerste kop thee. Gedachteloos vouw je brood. Je eet.

Je loopt door de regen en houdt jezelf vast. De wind weerkaatst een gekend geruis. Je stapt de tram binnen en kruipt in een hoek. Gedachteloos vouw je het tramticket. Je hoofd dwaalt af naar het gekras van de sporen in de metro. Je beweegt.

Je wandelt en je stopt voor het rood. Je wacht in de rij voor de kassa in de winkel. Je lacht en betaalt. Je ontmoet mensen die vragen naar de weegschaal van je leven. Je antwoordt steeds hetzelfde. Je neemt afscheid maar nooit helemaal. Je gedachten dwalen af naar het gedrum van een gejaagde stad. Je wandelt omdat het zo hoort. Je doet het omdat het zo hoort. Je functioneert.

Je ziet de contouren van wie hij had kunnen zijn. Je duwt hem weg. Je vraagt je af of je het ooit zal kunnen begrijpen. Of je ooit een vraag minder, een antwoord meer. Je speurt foto’s af op zoek naar motief in de lijnen van zijn huid. Je scheurt.

De krop, de knoop, de steen. De steen in je keel. Het touw in je maag schuurt. Je zwelt. Je klapt open. Alles en altijd vinden een weg naar buiten. Je leest de laatste paragraaf van het bijna laatste hoofdstuk. Het smelt. Je bladert terug om vandaag gisteren te kunnen zijn. Je herneemt.

Je spreekt in beelden die je hoopt te worden. Benadert de werkelijkheid in het eerste deel van de slaap, ontkent haar in het tweede. Wanneer de tijd zich om je heen schikt en jij je dubbel plooit, sluit je je ogen om hem niet te moeten raken.

Die vrijdag in het wassalon

Het was een doorsnee vrijdagochtend in het wassalon. Het is vroeg wanneer mijn moeder de was gaat drogen. Samen met haar nog een andere, iets oudere vrouw. Tijdens het uitladen valt een handschoen uit haar droogtrommel. Ze vloekt. Mijn moeder kijkt om, misschien kan ze helpen.

“Wad-ist?” Krijgt ze toegesnauwd.

Mijn moeder zwijgt. De vrouw zal geen goede dag hebben, denkt ze.
Mijn moeder hoest. De vrouw kijkt haar kwaad aan.

“Je moet hier niet hoesten! Het is door jullie microben dat wij hier ziek worden!”

De vrouw wordt nog kwader en begint te razen over haar verkoudheid en allerlei andere ziektes. Mijn moeder zwijgt nog steeds. Ze weet wat komen gaat en beslist daar niet in mee te gaan. Het is de tweeënveertig jaar dat ze hier woont niet waard. Haar hart wordt geraakt maar haar wapen is humor.

“Mevrouw ik niet spreken nederlands, ik niets begrijpen.” Zegt ze zo haperend mogelijk.

De vrouw trekt grote ogen en er volgt een spervuur van vragen.

“Hoe? Je moet de taal toch leren!! Hoelang ben je hier al?”

“Ik gisteren hier komen.”

De ogen van de vrouw worden nog groter.

“Hoezo gisteren? Het stopt maar niet, ik zei het nog, ze blijven komen, ’t zit hier vol! Ze blijven komen!”

De vrouw jammert en gooit haar handen in de lucht. Ze schudt met haar hoofd, gaat zitten terwijl ze nog enkele giftige opmerkingen mijn moeder’s kant uit gooit. Ze neemt haar krant en zegt:

“Het is door jullie dat ik elke dag de gazet moet lezen!”

Ze mompelt nog wat racistische opmerkingen maar het wordt alweer stil. Die migrant zal dat toch niet begrijpen, denkt ze.

Enkele minuten later komen drie tienermeisjes van diverse afkomst met twee jongere broertjes in het kielzog het wassalon binnen. Druk pratend en lachend schuilen ze voor de kou tot de schoolpoort aan de overkant opengaat. Mijn moeder voegt zich bij hen, ver uit het zicht van vrouw en fluistert hen toe dat ze zich niets moeten aantrekken van die slechtgezinde vrouw als ze hen zou aanspreken. Ze vat de voorbije minuten samen en één van de meisjes begint op haar beurt te vertellen over een soortgelijk racistisch incident dat haar is overkomen. De anderen vallen bij en op korte tijd weeft herkenning een draad van verbinding. De schoolbel nadert en mijn moeder vraagt of ze nog snel een spel willen meespelen.

“Jullie zijn nu even mijn kinderen, kom zo meteen naar me toe wanneer ik de was aan het opvouwen ben.”

De meisjes en de kleine jongens staan te springen om hun rol te vervullen. De vrouw die ondertussen mopperend haar was opplooit, keek verbaasd op toen ze de 5 kinderstemmen richting mijn moeder hoorde komen.

“Mama! Mama! Mama!” Klonk het langs alle kanten.

Mijn moeder leidt hen met wat brabbelende woorden terug naar de stoelen. Haar kinderen hebben haar gevonden. De vrouw valt stil. Haar mond valt open en vol afgrijzen kijkt ze van mijn moeder naar de kinderen. En van de kinderen terug naar de vrouw, die hier nog maar sinds gisteren is.

“Haar ogen waren nog nooit zo groot geweest.” Zei mijn moeder achteraf.

Ze laadt haar was in, neemt afscheid van de meisjes en hun broertjes, zegt hen dat ze zich nooit mogen laten doen en dat ze vooral moeten blijven lachen.

Ze proesten het uit.

Racisme is relatief

Er zijn bv’s die beweren dat racisme in Vlaanderen onbestaand is omdat zij naar een Turks stamcafé gaan. Er zijn politici die beweren dat gemiste kansen illusies zijn en tweederangsburgers implementeren. Er zijn mijnwerkersdochters die aangewezen worden als minister en daarmee het perfecte voorbeeld zijn van integratie. En vooral: van individuele verantwoordelijkheid. En er zijn mensen als mijn moeder en de vrouw in het wassalon. Op een doorsnee vrijdagochtend. Het verhaal is triest en kwam moeizaam uit mijn vingers. Een misselijke machteloosheid tierde door mijn lichaam. De tranen die een moeder inslikt roesten zich vast rond rauwe randen van een ongenezen wond. Want dat is wat moeders doen: 90 % van de nare ervaringen inslikken om kinderen te sparen. 10 % wordt verteld, ingepakt met een dosis humor. Want ze weet hoe de ziekte zich manifesteert en hoopt dat haar kinderen niet geïnfecteerd raken. Wat zij niet weet is dat wij alles weten. Dat de ziekte zich niet meer beperkt tot “haar microben” in de wasserij. Er zijn andere microben die zich over de jaren heen in razend tempo in Vlaamse bodem hebben vastgezet. De kiemende zaadjes zijn ondertussen gegroeid tot de hoogste top in onze maatschappij. Als kind ging ik op de toppen van mijn tenen staan en wees hoog in de lucht wanneer mijn broer me vroeg wat ik later wilde worden. Nu blijf ik met beiden voeten stevig op de grond. Ik koester mijn idealisme maar klamp me niet meer vast aan een droombeeld.

Ik bevind me in een luxepositie. Ik heb de woorden en probeer de razende onrust binnenin om te zetten in begrijpbare taal die ik neerschrijf en kan delen. Mijn moeder bezit een bewonderenswaardige dosis geduld en relativeringsvermogen. Er zijn talloze mensen die samen met mij deze verhalen horen of zelf meemaken en niet allemaal een juiste uitingsvorm hebben. Als machteloosheid onder je huid kruipt en zich vormt tot één brok verdriet, wordt woede ergens in een hoekje van je ziel gevoed. Als die woede niet gehoord wordt, niet erkend wordt, barst er iets. Een ruit, een deur of een wasmachine. En meestal haalt dat de media. Maar ook eigenwaarde, een hart, een ziel. En daarmee onze samenleving.

Aan de vrouw in de wasserij zou ik willen zeggen om de ziekte niet te blijven voeden, maar ze mee te bestrijden. We hebben zoveel te winnen. We doen het voor alle moeders en vaders die ons hier een leven hebben geschonken. We doen het vandaag voor onszelf en de toekomst van morgen.

Wanneer ik straks mijn laptop sluit zal mijn blik zich naar buiten keren. Met een vaag onbestemd verlangen zal ik door de straten wandelen. Ik zal de weg nemen die leidt naar de muur waarop ik jaren geleden een onverwoestbare waarheid las. Elke keer ik er passeer, sta ik stil en zie ik voor me het beeld van een kind dat op de toppen van haar tenen staat, armen hoog in de lucht. Ze glimlacht en ademt in.

“De stad ademt in wat wij uitademen. Laat het in hemelsnaam liefde zijn.” (I. Calvino)

Ik adem uit en vervolg mijn weg. Even geniet ik intens van het gevoel dat dat alles wel eens heel eenvoudig zou kunnen zijn.

Deporteerbaar

Hier zijn ze dan
de kinderen van
de kinderen van
hun kinderen

Bij grootvader
op schoot
zij, zij aan zij
in rij, vlees gekeurd
afgestempeld, heen
vervoerd

Daar staan ze dan
biddend om levend
terug boven te komen
tijdens het afdalen
in het diepe
donker van de mijnen

Steenkool wacht
niet, boten varen
weg, de tijd knaagt
net als uw geweten

Laad en los
de dozen en
laat los
uw gemis en
uw bergen
daar hebben
wij geen
boodschap aan

Houd dromen groot
en zwijg je rug kapot
Oui chef, non chef
Tout va bien chef

Hier zijn ze dan
de kinderen van
de kinderen van
hun kinderen

En zij, zij aan zij

Vlees gekeurd
Afgestempeld
Afgevoerd

Vanaf heden deporteerbaar.